Waardering van tekenkunst

In Frankrijk sloot kortgeleden de dertiende editie van Drawing Now Paris. In september is er weer Art on Paper in Amsterdam en GalleryViewer heeft onlangs een poging gedaan dit gat te vullen met een digitale tekeningententoonstelling. En laat ik het kleine maar fijne Tekenkabinet niet vergeten dat op 5 mei weer haar zevende editie opent. Het is waar dat de laatste decennia de waardering voor hedendaagse tekenkunst is gegroeid, maar op gelijke hoogte is het nog lang niet. In vergelijking met schilderkunst blijven de prijzen van tekenkunst ver achter. Waarom eigenlijk?

In vergelijking met schilderkunst blijven de prijzen van tekenkunst ver achter. Waarom eigenlijk?

David Hockneys schilderij Portrait of an Artist (Pool with Two Figures) uit 1972 werd vorig jaar nog voor ruim 90 miljoen dollar verkocht. De duurste hedendaagse tekening, Mountain Rhyme van QIU Hanqiao uit 2017, ging in datzelfde jaar weliswaar voor nog steeds een idioot hoog bedrag van de hand, maar toch slechts een fractie van het schilderij: een kleine 6 miljoen. Basquiats schilderijen zijn 5300 keer zoveel waard geworden, zijn tekeningen ’slechts’ 20 keer (bron: Art Price). Appels en peren? Zeker, maar ook tekenend voor het nog altijd grote verschil in waardering tussen teken- en schilderkunst.

Het is een hardnekkig misverstand dat kunst op papier van nature veel sneller, directer en spontaner is dan bijvoorbeeld een schilderij. Aantrekkingskracht van hededaagse tekenkunst is inderdaad de manier waarop ze vaak vrij kan experimenteren. Maar tekenkunst kan ook makkelijk dagen, weken gemierenneuk op de vierkante centimeter papier zijn, terwijl het zeker niet ongebruikelijk is om met olieverf op doek op een vlotte nat-in-nat manier binnen een dag, misschien twee klaar te zijn met vier vierkante meter.

Eeuwen geleden gold een tekening als voorbereiding voor een schilderij, niet bedoeld om te verkopen. Dat veranderde.

De oorsprong van deze misvatting ligt in de lange geschiedenis en de verandering in toepassing die relatief kortgeleden (een eeuw ofzo) plaatsvond. Eeuwen geleden gold de tekening als voorbereiding voor het schilderij, een schets, een halffabrikaat of erger nog, een tijdelijke tussenstap, eigenlijk niet eens bedoeld om te bewaren, laat staan te verkopen (1). Op zijn laatst in de twintigste eeuw heeft de tekenkunst het ouderlijk huis verlaten om te gaan studeren.

Toch hoor je nog steeds echo’s uit het verleden zeggen de hogere prijs van schildermateriaal invloed op de prijs heeft. Met alle respect: dat is niet veel en staat niet eens een beetje in verhouding met het prijsverschil. Ook het duurzaamheidsargument wordt niet geschoond: olieverf gaat langer mee dan menig medium op papier (Lee Hammond). Is dat omdat kunst in tijden van kapitalisme ook – en niet zelden – wordt gekocht als investering? Vanuit de kunst gesproken is het hoe dan ook in tijden van vergankelijke kunstvormen en concept boven materiële uitwerking een kulargument natuurlijk.

The current resurgence of drawing in recent years is perhaps the first moment in history when artist can opt for drawing as their principal medium, confident in the knowledge that their work will not suffer in status as a result.

(1)

Een ander veelgehoord argument is dat schilderkunst moeilijker is, meer tijd kost om onder de knie te krijgen en vanwege die tijdsinvestering zoveel duurder. Zonder ook maar iets af te willen doen aan schildergrootmeesters Barnett Newman of Jackson Pollock, moge het duidelijk zijn dat er van een schilder tegenwoordig een heel ander pakket aan vaardigheden verwacht wordt. Je kunt er ook gewoon personeel voor inhuren, zoals bijvoorbeeld Damian Hirst. Nu tekenkunst een serieus eindproduct is, kan een tekenaar daarentegen ook alles uit de kast trekken aan bijzondere vaardigheden, grote inspanning, museaal formaat en duur materiaal.

Gelukkig lukt tekenkunst zich door te ontwikkelen tot een heuse, zelfstandig kunstvorm. Al een aardig tijdje ook. Op zijn laatst sinds de direct op het doek schetsende impressionisten is de tekenkunst losgekoppeld van de schilderkunst. Bovendien zegt de prijs van kunst sowieso alleen iets over haar populariteit, niets over haar kwaliteit, maar dat is voor een andere keer. Er is dus hoop voor tekenkunst: dankzij galeries, beurzen als Drawing Now Paris en initiatieven als het Tekenkabinet stijgt haar waardering – al is het langzaam.

Er is hoop voor tekenkunst.

Ben van der Wel, 24 april 2019
Tekenaar

Ook gepubliceerd op Popinnart.nl

afbeelding: Landscape (2 van 4) – Qiu Hanqiao, 2017

noten:
(1) Voetnoot hierbij is wel dat de waardering van tekenkunst in de Nederlanden anders verliep dan in de mediterrane Renaissance. Noorderlingen maakten voor schilderijen veel nauwkeurigere voorbereidende tekeningen die ze vervolgens ook los als eindproducten konden verkopen (bron: Helen B. Mules, The Metropolitan Museum of Art, op Scholastic). En onze groeiende handelsklasse wilde ook wat aan de muur.
(2) Emma Dexter in: Vitamin D, New Perspectives in Drawing. Phaidon, 2005.

Einfache Nachahmung

Wollte aber jemand die Künste verachten, weil sie der Natur nachahmen, so läßt sich darauf antworten, daß die Naturen auch manches andere nachahmen.

Mimicry heeft zich in de natuur bewezen als overlevingstechniek. Een specifiek type, biomimicry, betreft onze diersoort die een onderdeel van de rest van de natuur imiteert om eigen problemen op te lossen. Wij leren door te imiteren, het zit in ons. Ook in de kunst wordt nagebootst: Jet en Airco schreven hier eerder over al dan niet plagiaat. Wat nog ontbreekt rond het thema Great Artists Steal is wat Griekse filosofen en een Duitse dichter.

Imitatio, het imiteren van oude meesters, is bij de oude grieken een beproefde werkwijze voor kunstenaars (“good artists copy” i.e. nadoen), evenals het nastreven, met als doel de meesters te overtreffen: aemulatio (“great artists steal” i.e. zich eigen maken). Even doorbijten, nog twee klassieke termen horen in deze context: mimesis (i.e. het imiteren van de natuur, in dichtkunst de directe rede) in tegenstelling tot diegesis (i.e. de indirecte rede, navertelling). Al deze begrippen vinden in de Renaissance natuurlijk nieuwe urgentie. In die tijd deelt Vasari de nabootsing van de natuur in drie gradaties in: onbeholpen natekenen, nauwkeurige nabootsing en het overtreffen van de werkelijkheid.

Dit gaat allemaal bijna te ver, ik weet het, maar het is belangrijk om bij die Duitse dichter te komen. Goethe heeft deze driedeling genomen en omgevormd tot drie stappen in de ontwikkeling van een kunstenaar: Einfache Nachahmung der Natur, Manier, Stil (1789). En ja, goed gezien: de nauwkeurige nabootsing van de natuur is bij hem beperkt tot de eerste. Die stap werd ijverig toegepast in kunstacademies, waar studenten tot in den treure voorwerpen en modellen moeten tekenen. Het is dan ook een goede oefening om te leren kijken.

Als je dat een beetje onder de knie hebt, ga je verder met Manier, naar het Italiaans dipingere di maniera ofwel uit je hoofd tekenen. Je reproduceert niet klakkeloos een boom, maar snapt hoe zo’n ding werkt: wortels, stam, takken, bladeren, licht, schaduw etc. Je voegt bij het nabootsen de subjectieve factor toe door keuzes te maken, zoals welke details jij karakteristiek vindt.

Stil is in Goethes theorie de hoogste graad, ja de hoogste graad die kunst ooit bereiken kan. De kunst maakt zich hier los van de nabootsing en kan op eigen benen staan, op dezelfde basis als de natuur: “[Die Kunst geht] auf jenes Vernünftige [zurück], aus welchem die Natur bestehet und wornach sie handelt” (1). De kunst heeft aemulatio bereikt, de kunstenaar heeft zich de natuur eigen gemaakt. Hij kan het wezen der dingen in beeld vatten omdat hij begrijpt wat hij namaakt. Een goede kunstenaar is ook anatomicus, botanicus, architect, etc.

Goethe waardeert Manier hoger dan einfache Nachahmung, en plaatst Stil weer daarboven. Hij gebruikt ze als gradaties in talent, zeker, maar ook als volgorde van ontwikkeling. En hij vindt elk stadium belangrijk: de hoogste is niet mogelijk zonder de laagste. Zo dacht hij ook, hieraan verwant, over ambacht versus kunst: kunst staat weliswaar hoger (een ontwikkelingsstap verder) maar ambacht is net zo noodzakelijk. En ambachtslieden kunnen hun ambacht in hoge mate doorontwikkelen, veel verder dan de kunstenaar die na basisbeheersing van het ambacht doorleert. De een is niet beter dan de ander, het is gewoon een ander vak.

Great Artists Steal is natuurlijk een wat provocerende uitspraak, maar verwijst wel degelijk naar de lange ontwikkelingsweg die een goede kunstenaar aflegt om via het overnemen van beeld (lenen) tot het eigen maken ervan (stelen) te komen en zo de hoogste trede te bereiken.

Denn die Götter lehren uns ihr eigenstes Werk nachahmen; doch wissen wir nur, was wir tun, erkennen aber nicht, was wir nachahmen.

Eerder gepubliceerd op het Popinnblog n.a.v. het thema van de voorjaarstentoonstelling Great Artists Steal 12-14 april 2019.

(Openingscitaat) en (1) Goethe, Wilhelm Meisters Wanderjahre oder Die Entsagenden, 1829. Aus Makariens Archiv. Hamburger Ausgabe, Band 8, blz 463. (naar Plotinus) = WMWJ. De verzameling gedachten en spreuken Aus Makariens Archiv – lang niet allemaal van Goethes eigen hand – waren ook bedoeld als gedachtenoefeningen en uitgangspunten voor gedachtenwisseling. Met ditzelfde doel ook door mij hier overgenomen

(Slotcitaat) WMWJ, blz 460 (naar Hippokrates).

Metalpoint

(Nederlands)

in the anglosaxon countries with more traditional academies, metalpoint is still taught and used. in the netherlands however, the technique is quite uncommon. therefore a small introduction is in place (oddly enough in the lingua franca of todays art world: english). metalpoint is predecessor to the pencil, or in dutch *potlood*, which still has the word *lead* in it. soft metals, like lead, copper, silver or gold are used, though mostly silver, which has the best softness and quality for money ratio.

ground

metalpoint is a drawing technique, in the beginnings sometimes applied on parchment, but mostly on paper. on it, being prepared with a coursing agent like chalk or marbledust, a thin metal rod can be used to scratch lines that cannot be erased. in the italian renaissance, (purple ao) coloured grounds were used with white egg tempera highlights, whereas flemish masters mostly used white or cream grounds.

contrast

the contrast is subject to the type of metal used, but always quite a lot less than most other drawing techniques like graphite or charcoal. although the endresult resembles to the untrained eye that of a pencil drawing, the drawing technique is utterly different. whereas with pencil you can darken the line by applying more pressure, with metalpoint the hue darkens only by carefully building up hatching lines. it feels almost halfway like painting rather than line drawing.

hue

all metalpoints give gray lines with only very slight hue differences. it starts out grey that subsequently discolours due to oxidation (in most cases). lead will turn blueish grey, copper yellowish grey, silver brownish grey, but gold will just stay grey. the ground sands off very small particles, which lose their colour in the violent white light (on a black ground, gold will have a light goldish hue). gold does not oxidate. silver does: a little brownish layer, then stops – unlike iron (silverware turns black instead of brown because of seliva and soap etc). and yes: a gold- or silverpoint drawing really is made out of gold or silver (particles).

renaissance

metalpoint is old, at least used since the 1400s. it was especially popular amongst renaissance artists, like Leonardo da Vinci  and Jan van Eyck – though more out of necessity (the pencil having to be invented yet). it was used as a sketching technique and/or to set up paintings (almost never meant as final result – although there has to be said that in the south, paintings were more valued, whereas in the north of europe, with a growingly rich commoners class, drawings were a serious business too).

revival

after the renaissance, graphite replaced metalpoint. the latter was forgotten until the end of the 19th century, until romantic artists and the prerafaellites, digging old crafts, dug up the technique. it is then, that goldpoint became more common, for aesthetic reasons. since, it has been steadily used by a modest number of artists. recently (2010s), there’s a small pickup with several solely metalpoint exhibitions in New York and London.

present

bought directly from the precious metal whole seller, I mostly use 999 silver and 999 gold (or 24 carat).  and of course only the best paper (Hahnemühle): it has to endure the wet grounding and then the metal scratching and pressuring without deforming. my frames vary from none, complementary, regular, to the best (Mertens), depending on your wishes and means.bottomless pit (2018), with complementary frame